En handel je ook naar ‘Ik ken mijn Pappenheimers’? Laten we even de proef op de som nemen…
Gottfried Heinrich Graf zu Pappenheim was een van de kleurrijkste en onverschrokkenste veldheren in de dertigjarige oorlog. Omdat hij slim en ambitieus was had hij gemakkelijk andere hogere banen kunnen krijgen maar hij koos ervoor om veldheer te worden. Hij maakte deze keuze omdat dit hopelijk meer eer en tevredenheid op zou leveren dan een reguliere baan.
Pappenheim fascineerde mensen al tijdens zijn leven. Hoewel hij had gestudeerd en over een civiele achtergrond beschikte, zou hij worden gezien als de belichaming van de onstuimige cavaleriegeneraal, Degene die zonder angst, met geestdrift en strijdlust in zijn ogen, in de richting van de vijandelijke linies stormde vanuit de overtuiging dat de aanval de beste verdediging is. Hij raakte voortdurend gewond en omdat hij stug door bleef strijden met open vizier was hij gemakkelijk te herkennen aan al zijn littekens en wonden.

Ik moet je eerlijk bekennen dat ik als cursusleider medezeggenschap weinig Pappenheimers ken. Nu hoeft het natuurlijk niet zo extreem…
De bestuurder is geen vijand, maar ik zie veel meer angsthazerij dan stellingname in het overleg met de bestuurder. Bovendien bemerk ik wel eens angst voor carrièreconsequenties bij medezeggenschappers als ze er te stevig ingaan. Die angst kan helaas terecht zijn. Je hoeft ook niet te allen tijde een Robin Hood of, erger nog, een Don Quichot te zijn…

De zin ‘Ik ken mijn Pappenheimers’ had in de zestiende eeuw betrekking op de moed en loyaliteit van mensen. Mensen die geruchten niet voor lief nemen, maar ruggengraat en moed tonen om de waarheid te vinden.
Pas veel later, in de negentiende en twintigste eeuw kreeg de zin een negatievere betekenis en verwees hij naar blindelings trouwe volgelingen of mensen van wie je precies weet wie ze zijn, hoe ze denken en je nooit zullen verrassen.

Maar is dat zo? Als cursusleider medezeggenschap merk ik dat ondernemingsraden vaak te weinig doen om de ‘waarheid/opvattingen vanuit de achterban’ te onderzoeken en deze te verwoorden in het overleg met de bestuurder. Nu kan dat ook niet altijd, maar de dialoog aangaan en duidelijkheid geven wat je als OR al dan niet zult inbrengen in het overleg is het minste wat je kunt doen. Met open vizier en zonder angst voor negatieve feedback.

Kunnen we geen lightversie van de Pappenheim handelswijze opnemen in de medezeggenschapsliteratuur en bovenal daarnaar gaan handelen?

*Bron: Dick Harrisson: De Dertigjarige Oorlog – De allereerste wereldoorlog 1818 -1648. Uitgeverij Omniboek, 2e druk juli 2018